Des hommes et des dieux (Xavier Beauvois, 2010)

Ik leerde de cineast kennen op het filmfestival van Venetië in 2005. Zijn voorlaatste film, Le petit lieutenant, uit dat jaar  werd na het festival nog eens vertoond in een ondertussen leeggelopen en koude zaal. De schets van het politiemilieu bekoorde me omwille van zijn soberheid en diepmenselijke toets. Op twee momenten in de film getuigt de kineast van zijn geloof. De politie-inspectrice is alcoholiste en probeert af te kicken in de AA-groep. Elke vergadering beginnen ze met een gebed. Aan het graf van de vermoorde jonge lieutenant leest de priester de meest indringende woorden uit de bergrede, over God die zijn zon laat schijnen over goeden en kwaden en over de noodzakelijke vergeving.

Het verwondert mij dus niet dat uitgerekend die Franse cineast ons vijf jaar later verrast met het moeilijke thema van het geloofsgetuigenis tot de dood, ookmartelaarschap genoemd. Het zal van The Passion, over de missie van de jezuïeten in Zuid-Amerika, geleden zijn dat een film dit thema aansneed. In die film maakten de historische achtergrond en de prachtige muziek van Ennio Morricone het martelaarschap door de sensationele duik van de watervallen verteerbaar. In Des hommes et des dieux verfilmt de cineast het actuele gebeuren van de moord op de trappisten van Tibhirine in Algerije in 1996. Zijn voornaamste bronnen zijn twee overlevenden van de slachtpartij en de brieven en dagboeken van de monniken.

Ik wijs meteen op een sleutelscène die de kenmerken van de film illustreert. Op een dag komt een niet-identificeerbare helikopter rond de kleine abdij vliegen tijdens het middaggebed van de monniken. Op de klankband horen we het razende geluid van het oorlogsgeweld en het gezang van de geestelijken die in een halve kring een lied over de duisternis en het licht aanheffen tegen het geweld. Zij proberen het geweld van de fundamentalisten en van het leger met geweldloze weerbaarheid te bezweren. In de film wordt bloedgetuigenis in onze tijd voorgesteld als een confrontatie van geweld in extreme vorm met het geweldloze verzet van een kleine gemeenschap. Het trappistenleven wordt door het getijdengebed en de eucharistie geritmeerd. Zo ook de film die begint met de volgende inzet: ‘Onze hulp in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft.’

Op regelmatige tijdstippen vervoegen we ons bij de trappisten in hun kleine kapel. In tegenstelling met de film Into Great Silence horen we de monniken veel spreken en met elkaar overleggen over het al dan niet in de abdij blijven. Er is ook aandacht voor hun sociale inzet voor de lokale bevolking die vooral in het werk van de arts onder hen gestalte krijgt. En ze delen ook mee in de vreugde van het feest van de besnijdenis. Door die engagementen oogt hun spiritualiteit bijzonder fris. Opvallend is de rol van de deur, geen poort scheidt het klooster van de dreigende buitenwereld maar een poortje, dat broeder portier elke avond sluit alsof dit een bescherming kan zijn.

Op kerstavond grijpt een eerste confrontatie plaats met de fundamentalisten die op zoek zijn naar hulp voor hun gewonde strijders. De prior Christian slaagt erin te onderhandelen buiten de kloostermuren en een eerste keer een bloedbad te voorkomen. Daarop volgt een kerstviering die tot de kern herleid wordt als een scheppings- en paasverhaal. De liederen komen uit de abdij van Tamié in de Haute-Savoie en klinken Bijbels en eigentijds (weliswaar niet zo sterk als onze liederen van Oosterhuis maar toch niet zo flets als het gewone parochiale repertoire in Frankrijk). Het aanbrengen van het kerstekindje door de broeder die het meest door angst gekweld wordt, tilt de kerstviering op uit elke folklore. Ook de gewone viering van de eucharistie als ‘kortgeding tegen het cynisme en het geweld’ (Oosterhuis) komt krachtig in beeld.

De film verlengt de Griekse tragedie vermits de toeschouwers vooraf de ontknoping kennen. Het beslissende verschil ligt in de keuzevrijheid van de broeders. Antigone gehoorzaamt blindelings aan de wet der goden tegen de wet van mensen, belichaamd door Kreoon. Daarom wordt die vrijheid in de film sterk beklemtoond. We maken een drietal samenkomsten in het kapittel mee waar de aanvankelijk nogal eigenzinnige prior Christian zijn wil oplegt en door zijn medebroeders terechtgewezen wordt. De laatste keer wordt een stemming gehouden waar elke broeder uit vrije wil beslist te blijven, trouw aan de roeping in dit vreemde land. De offergedachte die het nadenken over het martelaarschap in navolging van de kruisdood van Jezus in onze geseculariseerde tijd zo moeilijk en storend maakt, wordt vermeden. Het kruis is, in tegenstelling met de icoon van Maria, opvallend afwezig in de film.

Vermits de eigenlijke daders van de moord nog niet bekend zijn, geeft Beauvois daarover ook geen uitsluitsel. Tijdens het draaien van de film in Marokko begon het uitzonderlijk te sneeuwen en de cineast gebruikte deze buitenkans om de film te laten eindigen met een kruisweg door de sneeuwstorm, die de slachtoffers als het ware verzwelgt. Deze sequens deed me denken aan de onvergetelijke gruwelijke sequens uit De starende blik van Ulyssesvan Angelopoulos waar in de mist een hele familie uitgemoord wordt. We horen alleen maar de schoten en het plonsen van de lijken die in het water van de rivier gegooid worden. Vreselijk!

Beauvois verwijst naar de invloed van de schilderkunst in zijn film door een schilderij van Caravaggio, De geseling van Christus, (dat in Rouen hangt), in beeld te brengen. Verder zijn er nog verwijzingen naar Monet en Gauguin in de wijze waarop het wateroppervlak weergegeven wordt. Langs het water trekt de prior Christian zich terug om door gebed meer helderheid te verkrijgen over zijn keuze en verantwoordelijkheid. De cineast verklaart ook dat hij Rossellini’s film  over Franciscus, I fioretti, geraadpleegd heeft om de juiste toon te vinden waarmee je heiligenlevens kan vertellen. Ook de reminiscentie aan de Renaissanceschilder Mantegna in de weergave van de gefolterde Algerijn, die opgebaard ligt, springt in het oog.

Op één plaats schakelt de cineast muziek in tijdens een soort laatste avondmaal van de gemeenschap. Hij kiest voor Het zwanenmeer van Tsjaikovski. Ik vind dit betwistbaar. Het geeft de cineast wel de gelegenheid om voor het eerst in close-up de gezichten van de zeven mannen te tonen. Enkel de prachtige landschappen worden in traveling zijwaarts en met veropnames gefilmd.

Ik raad u deze prent aan en ook het boek van Ivo Dujardin, De droom van Tibhirine, bij Lannoo uitgegeven. Het getuigenis van de zeven monniken tot de dood wordt weergegeven als wat het martelaarschap altijd geweest is: een onverzoenlijke botsing van anoniem geweld en de evangelische geweldloosheid, beleefd door een kleine gemeenschap. De kineast resumeert zijn film met de Franse leuze Liberté, égalité, fraternité. Draaide Kieslowsky ooit geen trilogie over dezelfde droom?

De profeet Zacharia zong :

Juich, Sion,
Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!
Je koning is in aantocht,
bekleed met gerechtigheid en zege.
Nederig komt hij aanrijden op een ezel,
op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
10 Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen
en de paarden uit Jeruzalem;
de bogen worden gebroken.
Hij zal vrede stichten tussen de volken.
Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.

(Zacharia 9, 9-10)

Ter bespreking:

  1. Wissel een scène uit die je bijzonder getroffen heeft.
  2. Je gezinsgroep is even talrijk als de gemeenschap van de broeders van de Atlas.
    Zijn er gelijkenissen en verschillen?
  3. Ervaar je dezelfde vrijheid van spreken in de groep?
  4. Is je zicht op martelaarschap door deze film bijgesteld?
  5. Let op het laatste woord in de film. Welk verband met het begin?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.