Jacques Derrida – over de doodstraf

Wat een overschatting hadden onze leerkrachten wanneer zij als eerste dissertatie ons over de doodstraf deden schrijven: ‘Voor of tegen de doodstraf?’

Jacques Derrida is er twee jaar in zijn seminarie van 1999 tot 2001 mee bezig geweest.[1] Hij beschouwt deze kwestie als een voorbeeld van deconstructie. Voor wie nog vecht met dit begrip, hoop ik kort zijn wekenlange reflectie samen te vatten. Hij gaat uit van vier onterechte slachtoffers van de doodstraf: Socrates, Jezus, Hallaj (een moslim in 900 terechtgesteld in Bagdad) en Jeanne d’Arc.

De doodstraf stelt dringend de vraag: wie mag die doodstraf uitspreken of wie mag gratie verlenen? Waarop is die soevereiniteit gegrond?

Nog deze week konden we zien dat in bepaalde Amerikaanse staten een referendum over die doodstraf naast de presidentsverkiezing gehouden werd. Het standpunt van de kerk is nooit uitgeklaard zodat het christelijke Amerika zich op de Kerk beroept.

Derrida stelt voor vanuit de deconstructie van de doodstraf meer zicht te krijgen op wat wij politieke theologie noemen, een soort gedeelde soevereiniteit van de Staat en de Kerk. Want zelfs in een seculiere maatschappij blijft die vermenging overeind. Voltaire trok dit niet in twijfel.

Interessant maar pijnlijk is de reden waarom onze vier voorbeelden ter dood werden gebracht. Niet omdat zij een gevaar waren voor de maatschappij, niet omdat zij een criminele daad hadden gesteld. Maar omdat zij beweerden de waarheid te spreken uit de mond van God. Jeanne d’Arc verloochent niet de stemmen die ze hoorde en Socrates sprak over een daimoon. Kennelijk was dit bedreigend voor de plaatselijke machthebbers, religieuze of politieke.

Een eerste deconstructie is de illusie dat er een balans bestaat om de sanctie af te wegen aan de misdaad, dat er een evenwicht bereikt kan worden. Het kwaad heeft gevolgen die niet te overzien zijn. Zowel het kwaad dat de misdadiger gepleegd heeft (Dutroux) als het kwaad dat de terechtstelling teweeg brengt. Hier wordt al een argument pro de doodstraf onderuit gehaald.

Verder is een verkeerd begrepen offerdood ter verzoening van de zonden koren op de molen van de voorstanders die in Jezus geen slachtoffer van een zondebokmechanisme zien, door mensen en machten in gang gezet, maar een na te volgen voorbeeld voor alle menselijk lijden, aan God opgedragen. Vandaar mijn kruistocht om dat verderfelijk theologoumenon uit de wereld te helpen. Ik meen dat de dubbelzinnige houding van de Kerk tegenover de doodstraf hierdoor te verklaren is (niet te verontschuldigen).

Ook de te gemakkelijk aangeprate verrijzenisgedachte kan de ernst van de doodstraf relativeren. ‘Nog heden zal je met mij in het paradijs zitten.’ Er zijn tal van historische voorbeelden van terechtgestelden die daar feestelijk voor bedankten.

Een ander moeilijk punt is het verschil tussen een oorlogssituatie waar doden mag en moet en de vrede waar doden strafbaar is. Waar begint en eindigt een oorlogssituatie? Ik denk aan het eerherstel dat in Frankrijk moeizaam tot stand komt voor 600 Franse soldaten (les mutins) die weigerden uit de loopgraven te komen bij het begin van Wereldoorlog I. Bij de herdenking zullen vele situaties moeten herzien worden. Derrida denkt na over de gratieverlening, waarop een veroordeelde tot op de minuut wacht in de dodenkamer. Waarop is die uitzondering gefundeerd? Wie kan gratie verlenen? Carl Schmitt wordt hier gevolgd die beweert dat de theologie en het nadenken over het transcendente in het recht onontbeerlijk zijn. Hij zet een mirakel op hetzelfde niveau als een gratieverlening.

Films over de doodstraf – Death Man Walking of Decalog 5 – veroorzaken bij de toeschouwers verontwaardiging en gruwel. Cruor – bloed dat vloeit – is vooral een emotionele reactie die ook gedeconstrueerd moet worden. Want in Amerika werd de doodstraf opnieuw mogelijk op voorwaarde de elektrische stoel te vervangen door zachte middelen tot executie. Met andere woorden, de deconstructie van de doodstraf werd belemmerd door een nevenverschijnsel, de manier waarop terechtgesteld werd. Hier speelde in de geschiedenis de spektakelwaarde en de afschrikwekkende reactie een beslissende rol. Executies werden door veel volk bijgewoond en de Staat bevorderde die toeloop omdat de controle over het grondgebied onvoldoende verzekerd was. De vraag is of dit middel in onze moderne tijd nog werkt en dus nodig is.

Nietzsche, die ook veel gedeconstrueerd heeft, ontmaskert in de massa het plezier om te zien lijden en om te doen lijden. Reeds de apen vertonen zulke spelletjes. Geen feest zonder lijden dat ten tonele gevoerd wordt. Wat is een voetbalmatch zonder regelmatige spectaculaire kwetsuren?

« On ne pourra pas faire une histoire de l’économie de la peine de mort sans une histoire du sang; et je dirais même sans abuser de l’homonymie, du “sans sang”, de ce qui progressivement et toujours en mémoire du sang christique, c’est-à-dire dans l’expérience et la rhétorique générale de l’eucharistie, de la transsubstantiation qui fait advenir la présence réelle du sang de Dieu ou de l’homme, fils de Dieu, dans le vin, et sa chair dans l’hostie, le sang du sang, donc, ce qui progressivement devra s’absenter, rendre son absence sensible, la vertu de son absence, s’efforcera de faire disparaître le sang, si bien que les étapes vers l’abolition ou l’économie dite pure et simple de la peine de mort seront l’expérience de l’exsangue, de devenir exsangue, de la résorption, de l’assèchement ou de la disparition par intériorisation du sang, de la visibilité du sang. »

(vert.) ‘Men zal geen geschiedenis van de verdwijning van de doodstraf kunnen schrijven zonder een geschiedenis van het bloed. Ik zou eraan toevoegen dat zonder de gelijkluidendheid van sans sang, van wat progressief en altijd ter gedachtenis van het bloed van Christus; d.w.z. in de ervaring en de retoriek van de eucharistie, van de transsubstantiatie die de werkelijke aanwezigheid van het bloed van God of de mens, in de wijn en van het lichaam, in de hostie, het bloed van het bloed. Wat progressief zal moeten verdwijnen, de afwezigheid zal moeten ervaarbaar maken, de kracht van de afwezigheid, zal een inspanning moeten leveren om het bloed te doen verdwijnen, zo sterk dat de stappen naar de afschaffing of het overbodig maken van de doodsstraf de ervaring zal zijn van het bloedloze, het bloedloos worden, de resorptie, de uitdroging of de verdwijning door verinnerlijking van bloed, van de zichtbaarheid van bloed.’

Deze lange zin als voorbeeld van de schitterende retoriek van Derrida maar ook van zijn kennis van het christendom. Als ik hem goed begrijp, is zijn intuïtie door Huub Oosterhuis in zijn inspanning om het ‘bloed’ te vervangen door ‘hart’ in zijn laatste tafelgebeden, daar een illustratie van. De Nederlandse dichter gaat er prat op het woord “bloed” te bannen uit zijn religieuze gedichten.

(11 november 2012)


[1] Jacques Derrida, Séminaire La peine de Mort, Volume I (1999-2000). Galilée, 2012, p. 385.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.