Toespraak Jean Bastiaens op de boekvoorstelling

Stem die mij roept: waar is je broeder / is jouw naam’ –

De titel van het boek Bijbels geloven met Patrick Perquy – Stem die mij roept, is ontleend aan dit zinnetje. Het staat in een tafelgebed, geschreven door Huub Oosterhuis. Het begin ervan klinkt aldus:

Klok stilgezet. Deur van gedachten
achter mij dicht.
Over de afgrond daalt een zingende brug.
Ontraadseld keer ik
naar de zachtste plek in mijn geheugen
terug: jouw naam.

In heel dit gebed gaat het om die naam, waarvan iets verderop in de tekst gezegd wordt:

Naam die geen naam is
jij leve hoog –

Het gaat dus om het raadsel van die onzegbare Naam van God die zich onthult in duizend namen.

Stem die mij roept: waar is je broeder / is jouw naam.

Ik heb Patrick Perquy een keer horen zeggen in een groep waar mensen zich aan elkaar voorstelden: ‘En de Lier, het zingen in De Lier, dat is mijn lang leven!’

En zingen in De Lier, dat is ‘een zingende brug over een afgrond laten neerdalen’ met de liturgische gezangen uit het Verzameld Liedboek, op teksten van Huub Oosterhuis.

Huub Oosterhuis had zijn theologie gedaan in Maastricht, en werd in 1964 aldaar in de Sint-Servaasbasiliek tot priester gewijd. Daarna toog hij naar Amsterdam, zijn geboortestad. Het waren voor de samenleving en voor de Kerk belangrijke jaren: er ging veel veranderen. De samenleving werd opengebroken, vaste structuren verloren hun vanzelfsprekendheid, vernieuwing kwam van onderop. Het was de tijd waarin – in Nederland – de gesloten priesteropleidingen werden afgeschaft en nieuwe, theologische hogescholen in de steden werden opgericht. De Jezuïeten hadden besloten om samen met andere partners zo’n nieuwe, open theologische opleiding te starten in Amsterdam, in een pand aan de Keizersgracht. Ook jezuïet Jan Van Kilsdonk ging naar Amsterdam, en begon daar met een vernieuwend studentenpastoraat en een experimentele studentenecclesia. Hij vroeg aan Huub Oosterhuis om nieuwe liturgische liederen te componeren, samen met die andere jezuïet, Bernard Huijbers. In Maastricht had Oosterhuis, als student, al kennis gemaakt met ordegenoot en Bijbelgeleerde Han Renckens, die eveneens de overstap maakte naar Amsterdam. Han Renckens had afstand genomen van een dogmatische benadering en dito gebruik van de Bijbel, en was op zoek naar de Bijbelse geloofsfundamenten van de Schrift zoals die in de Schrift zelf aan bod komen. De Bijbel was niet langer een illustratie bij de dogmatiek. Voortaan werden de teksten zelf bestudeerd, aan de hand van literair-historische criteria. Renckens werd een meester in narratieve tekstlezing, en kreeg zo meer affiniteit met een joodse benadering van Schriftteksten. In Amsterdam kwam men tot het inzicht dat een nieuwe, open theologie ook behoefte had aan daadwerkelijke inbreng van joodse zijde. En zo werd in 1968, een jaar na de komst van Renckens, rabbijn Yehuda Aschkenasy aangesteld als hoogleraar Judaïca aan de Katholieke Theologische Hogeschool. Huub Oosterhuis werd door deze vernieuwingen diepgaand beïnvloed. In zijn teksten tracht hij meer en meer terug te gaan naar de joodse messias, geboren in Nazaret, niet ‘Jezus’, maar Jesjoe Jezus:

Die naar menselijke gewoonte / met een eigen naam genoemd werd / toen hij in een ver verleden / werd geboren ver van hier / die genoemd werd Jesjoe Jezus / zoon van Jozef / zoon van David / zoon van Jesse ….

Zo klinkt het nu in een ander tafelgebed van Oosterhuis.

In Amsterdam bevinden zich naast de katholieke theologische opleiding, ook twee protestantse theologische faculteiten. En ook daar wordt op een vernieuwende manier aan Bijbeltheologie gedaan. Hoogleraar Beek, Frans Breukelman, Karel Deurloo, Rochus Zuurmond, Aleida Van Dalen: allemaal klinkende namen van mensen die gaandeweg samenschoolden tot wat genoemd werd ‘De Amsterdamse School’. Ook de Amsterdamse katholieke hoogleraar Ben Hemelsoet behoorde feitelijk tot deze groep. Er ontstonden wonderbaarlijke verbindingslijnen tussen de katholieke Amsterdamse Bijbeltheologen, rabbijn Yehuda Aschkenasy en de protestantse leden van de Amsterdamse school. Later zou Huub Oosterhuis zich zelf wagen aan een vertaling van de vijf boeken van de Tora, helemaal in de lijn van deze Amsterdamse school. En de Naardense Bijbel is een loot aan deze rijke stam, evenals ‘Het verhaal gaat’ van Nico ter Linden. En natuurlijk mag hier de profetische figuur van Tom Naastepad niet ontbreken, iemand door wie Patrick in hoge mate geïnspireerd werd.

Echter, een van de belangrijkste inspiratoren van heel deze vernieuwing was de Leidse hoogleraar Heiko Miskotte, geboren in 1894 en gestorven in 1976. Met name zijn boek ‘Als de goden zwijgen. Over de zin van het Oude Testament’ werd een vruchtbare bron voor de vernieuwing van de theologie. Hij plaatste het Oude Testament – de Joodse Bijbel – opnieuw prominent in het midden als het vertrekpunt en de basis van alles, ook van het Nieuwe Testament. Dit boek van Miskotte, Als de goden zwijgen, is denk ik het laatste boek dat Patrick Perquy enkele weken voor zijn overlijden heeft aangeschaft, want we waren van plan een volledig Babelatelier te wijden aan een grondthema van dit boek: Het tegoed van het Oude Testament.

Onrechtstreeks en rechtstreeks, en ook via de teksten en liederen van Huub Oosterhuis kwam Patrick Perquy in verbinding met deze beweging van vernieuwende Bijbeltheologie. Die verbinding werd nog explicieter toen hij een boekje in handen kreeg met de opmerkelijke titel: ‘Je eigen Schrift schrijven. Meegroeien met de Bijbel.’ De schrijver ervan: de jezuïet Han Renckens. Het boekje werd voor het eerst gepubliceerd in 1983 en laat in een notendop zien wat de nieuwe Bijbeltheologische benadering van de Schrift kan betekenen.

Renckens benadrukt dat wij ‘een lang bekeringsproces nodig hebben’: we hebben de Bijbel lang verkeerd gelezen, namelijk als een gesloten boek. We zijn daardoor vervreemd geraakt, zegt hij, van de Bijbel. Bovendien hebben we, als christenen, lange tijd gelden aan een superioriteitswaan doordat we het Nieuwe Testament los gemaakt hebben van zijn wortels, dat zogenaamde Oude Testament, de Joodse Bijbel. We dachten dat we het Nieuwe Testament los van het oude konden lezen, omdat het het Oude overbodig had gemaakt, niet begrijpende dat – zoals Renckens het uitdagend formuleert – het Nieuwe Testament als geschrift (!) het ‘nawoord’ is bij het Oude Testament. Hij hoopt dat christenen het Oude Testament zullen herontdekken, zoals hij ook hoopt dat het Nieuwe Testament ‘herkenbaar gemaakt wordt voor joden’ – wat al ruimschoots begonnen is met zo belangrijke joodse auteurs als David Flusser en Shemuel Safrai, generatiegenoten van Yehuda Aschkenasy, met hun baanbrekende boeken over Jezus en de periode van de Tweede Tempel.

Elke vorm van superioriteitswaan afleggen en opnieuw beginnen lezen, liefst zo onbevangen mogelijk. Dat doen we het best in het ‘leerhuis’, de plaats waar we samen met anderen de Bijbelse teksten opnieuw tot spreken laten brengen. Het Babelatelier hier in Brugge werd zo’n open leerhuis, en is dat nog steeds, en ook daar staan we in het spoor van Patrick.

Wat betekent dat nu: ‘je eigen Schrift – met hoofdletter – schrijven’? Renckens laat in dit boekje op een heldere manier zien hoe de Schrift zelf telkens ‘herschreven’ is. De Joodse Bijbel is dus zelf een optelsom van herschreven teksten. Er zijn tradities die ontstaan zijn in de periode van het koningschap in Israël, vóór de Assyrische overheersing, en die tradities zijn daarna mee verhuisd naar het Zuiden, waar ze als fundamenteel en belangwekkend mee werden ingeschreven in de zuidelijke tradities rond David en de Sionsberg. Er ontstaat een reflectie over de vraag ‘waarom en waar het fout is gegaan’ bij de teloorgang van het Noordrijk, en in dit spoor ontstaat een groots werk dat reikt van Deuteronomium tot en met het boek Koningen. De Babylonische ballingschap is de tweede grote catastrofe en zal eveneens leiden tot een herlezen en herschrijven van de overgeleverde tradities, ditmaal door priesterlijke milieus. Daarom komt de Tora pas ergens in de vijfde eeuw tot zijn uiteindelijke vorm en omvang. Die Tora zelf is een creatief resultaat van Profetie en Wijsheid, en dus gaan Profetie en Wijsheid vooraf aan de Tora, terwijl wij dat altijd omgekeerd denken.

De Schrift is aldus een telkenmale herschreven tekst. Dat proces eindigt niet, ook niet bij de afsluiting van de canon, van wat beschouwd wordt als behorende tot de heilige Schrift en wat niet. Want de Schrift wordt verder herschreven in nieuwe heilige teksten, in het Aramees – in targumiem – of in het Grieks – allereerst in de Septuagint, maar ook in allerlei andere vormen van midrasj, en vooral daarna in Misjna en Talmoed. En ook in geschriften van kerkvaders en kerkmoeders. Ik citeer nu Han Renckens:

“Het geloofscharisma dat de Schrift tot stand heeft gebracht, is dus ook het onze. Ook onze geloofsgemeente schrijft een nieuw hoofdstuk, dat wel niet meer in de Schrift wordt opgenomen, maar in het licht waarvan wij haar wel mogen herlezen en ‘herschrijven’. Eenzelfde charisma leidt tot Schriftontstaan en tot Schriftverstaan; voor een creatieve reproductie is evenveel talent nodig als voor de oorspronkelijke productie.” (p.33)

Dames en heren, in het boek dat wij vandaag voorstellen, krijgt dit verder schrijven van de Schrift concreet vorm. Patrick heeft er zijn leven aan gewijd. Maar let wel: Han Renckens laat terecht verstaan dat dit nooit een hoogst individuele bezigheid kan zijn. Schrift werd en wordt verder geschreven in dialoog, in gemeenschap, in een ‘gemeente’, in kerk. Maar die dialoog heeft Patrick ook altijd gezocht: hij heeft altijd mensen rond zich verzameld, hij heeft gemeente gevormd, met De Lier, maar ook met allerlei andere netwerken en contacten daarbuiten. Misschien is dat wel de reden waarom Patrick zijn boek niet zelf heeft geschreven!? Hij had daarvoor een klankbord nodig, hij was wellicht bang om alles te zeer definitief te laten klinken, alsof sprankelende inzichten zouden worden opgesloten in een boek. Daarom koos hij voor de vrije en meer open werkvorm van de wekelijkse ‘bijdragen’, zoals hij ze noemde. Maar precies op deze ‘bijdragen’ is dit boek gebaseerd, en daarom mogen we ook dit boek beschouwen als een verder schrijven van het Bijbelse gedachtegoed van Patrick Perquy.

Zo is dit boek ontstaan: vanuit de intuïtie en de gedachte dat Patricks bemoeienis met de Schrift ook ons aangaat, ons heeft geboeid, en dat de wegen die hij heeft getoond verder geëxploreerd en verder geschreven kunnen worden, in woorden, in daden, in het concrete leven. De schrijvers van dit boek hebben allemaal een eigen levensverhaal met Patrick, zij maken deel uit van de texture van zijn leven. Maar dit alles betekent dat het lezen van dit boek niet voldoende is (natuurlijk, je moet het daar eerst voor kopen…). In de geest van Patricks benadering en in de geest van het ontstaan van de Schrift zelf, moeten we hierover met elkaar in dialoog gaan. Het boek kan gaan meespelen in een leerhuis, in een gemeente, in een gesprek van twee of drie, op een website met de domeinnaam patrickperquy.be .

Dit boek is dus geen eindpunt. Het is een nieuw startpunt. We krijgen een estafette aangereikt, en nu moeten we deze ook aannemen. Want ‘het verhaal gaat’, en het gaat verder, óók het verhaal van Patrick. Beste mensen, ik wens u en mijzelf daarbij een goede tocht, en let op, onderweg zullen we Patrick dan nog vaak tegenkomen!

Jean Bastiaens

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.