Toespraak Paul Thoen op de boekvoorstelling

Beste mensen, mag ik me wagen aan een enigszins persoonlijk verhaal over hoe Patrick ook mij op de weg van het Bijbels geloven gebracht heeft?

Patrick en ik zijn vrijwel tegelijk begonnen als leraren aan het Roeselaarse Klein Seminarie. In september 1969 had hij zijn twee licentiejaren Romaanse in Leuven afgerond, en in  diezelfde periode had ik in Roeselare een interimjaar gegeven – met Mei 68 op het  programma – om het schooljaar daarop mijn legerdienst te doen in Duitsland. In 1969 was,   wat het collegeregime en het collegeleven betrof, één iets overduidelijk. Het ancien régime    dat zich na de Tweede Wereldoorlog nog probleemloos hersteld had, kon dan, eind de sixties, niet langer standhouden. Er zijn in die jaren op vele plaatsen moeilijke dingen gebeurd, maar Mgr. De Smedt had de goddelijk geïnspireerde idee om de jonge Patrick naar het Klein Seminarie te sturen. Daar stonden wijze en vertrouwvolle mensen aan de leiding van de verschillende schoolafdelingen, en zij gaven hun korpsen de vrijheid om de crisissfeer als een vrije experimenteerruimte te beleven. Hoe Patrick hierop ingespeeld heeft en wat hij allemaal op gang getrokken heeft en samen met anderen heeft helpen trekken, is teveel om op te noemen. Toch kan ik niet voorbijgaan aan één voorbeeld van zijn aanpak. Zijn collega-priester, wijlen André Deweerdt, was benoemd tot directeur van de landbouwschool en hij kon tot zijn diepe spijt in de grote vakanties niet langer mee als aalmoezenier met de bouwordegroep naar Duitsland. André vroeg Patrick of hij het te doen zag zijn plaats in te nemen en omdat er – tenminste op papier – een groepsleider nodig was, zocht Patrick mij op.

Zijn motivering was dat een aantal van onze leerlingen en oud-leerlingen wat verloren liepen   in de contestatiesfeer van dat moment. Mochten we die gasten meekrijgen, dan zouden we hen wellicht ook kunnen helpen om een beetje uit de knoop te geraken. Het werden die augustus van 1972 in vele opzichten drie prachtige werk- en leefweken op Burg Rothenfels in Noord-Beieren.

Pas achteraf heb ik ten volle beseft op welk een uitzonderlijke en zelfs symbolische plek we daar toen geweest zijn. Die oude burcht aan de Main was vanaf 1919 het centrum van de Duitse katholieke jeugdbeweging de Quickborn, met haar grote inspirator priester Romano Guardini, die door zijn geschriften in de decennia na WOII ook bij ons zeer invloedrijk geweest is. Guardini was niet alleen een gevierd academicus die het katholicisme op een dialogische en open manier ter sprake bracht. Onder meer met de Werkwoche op Burg Rothenfels verbond hij bij de jeugd samenleven met spiritualiteit, en opende hij nieuwe mogelijkheden voor kerk en liturgie. Hij kwam op (1) voor een existentiële theologie

en een experimentele spiritualiteit van pogingen ondernemen en blijven vertrouwen,

(2) voor een speelse liturgie die het mysterie van het bestaan aanschouwelijk wil maken,

(3) voor een confrontatie met de zichzelf vernietigende moderniteit en een vernieuwde positiebepaling van kerk en geloof  in een geschonden wereld. In onze college- en studietijd klonk daar al één en ander van door, en die mystiek geïnspireerde theologie hielp Vaticanum II vorm geven. Die verwijzing naar Guardini daar in Burg Rothenfels doet mij beseffen hoezeer Patrick zich in dat spoor bevond, en hoe hij op zijn persoonlijke manier die lijn zelf verder ontwikkeld heeft. (1) De existentiële benadering van het geloof verrijkte hij door de inbreng van de taal- en de menswetenschappen en door zijn aandacht voor de kunst met allereerst de film; (2) de speelse en revelerende liturgie voedde hij volop door de aansluiting bij de Bijbellectuur en bij het joods-Bijbelse leerhuis; (3) de genezing van de leefwereld begon met het lezen van de geschiedenis vanuit de onderkant en de verliezers, en met het verkennen van de kansen en risico’s van de drie elkaar opvolgende Bijbelse samenlevingsmodellen: woestijn, koningschap en ballingschap.

Op de Bijbellectuur wil ik even wat dieper ingaan. Het is de lijn waarop ik – gezien de omstandigheden niet altijd even intens, maar toch wel het meest continu – met Patrick in contact ben gebleven. Al vast een levendige herinnering uit ons eerste gedeelde schooljaar.

Ik gaf onder meer Nederlands in de vijfdes, en Patrick gaf mij het bekende korte gedicht van Hendrik Marsman Lex barbarorum (1926) met de vraag: “Hoe lees jij dit gedicht?” Wilde hij een reactie uitlokken van mijn kant met het oog op een repliek en een discussie? Eigenlijk niet. In een vorm van uitgestelde herkenning – een term die Patrick dierbaar was omtrent omgang met parabels – zie ik nu heel helder wat zijn bedoeling was. Zijn vraag kwam neer op het innemen van ingeleefde posities tegenover die tekst en tegenover elkaar als lesgevers, voorbij louter theoretische kennis en vrijblijvende discussie. Gaan we, om dit te verduidelijken, even rond langs Lucas 10.26: ‘Wat staat er in de wet? Hoe lees je (dit)?’ is de vraag van Jezus aan de wetgeleerde. Dat de wetgeleerde de wet inderdaad kan citeren en een volgende discussievraag kan stellen om zijn uitgangsvraag over het eeuwig leven te verantwoorden, biedt hem geen uitweg: hij moet eerst door dat ‘hoe?’ … jawel, door de parabel van de barmhartige Samaritaan. Patrick stelde mij destijds een vergelijkbare vraag …,

of we elkaar en de leerlingen zonder omwegen en in alle openheid zouden tegemoet treden    in onze manier van lezen en lesgeven.

Die soms verrassend ‘profetische’ directheid van Patrick hield verband met wat hij in zijn wekelijkse bijdragen het oneindig verlangen noemt. Probeer niet op welke wijze ook het verlangen te bevredigen of te voldoen. Luister niet naar de vele recepten die de wereld je daartoe aanbiedt. In de lijn van de mystieke theologie is het verlangen zelf het hart van het gelovig bestaan: Augustinus’ irrequietum, mijn hart is onrustig tot het rust vindt in jou. De rust van de zevende scheppingsdag en tegelijk de uitdagende evocatie van de messiaanse tijd, zoals Patrick die vanuit Giorgio Agamben in zijn laatste bijdragen ter sprake brengt. In 1969 lagen inderdaad andere recepten klaar. De links-marxistische golf die onze studenten meesleepte, dreef naar een wereldwijd bevrijdingsperspectief, maar richtte ook veel ravages aan. De psychanalyse raakte de heikele punten aan van beklemmend zondebesef en loodzwaar schuldgevoel en ondersteunde Nietzsches kritiek op het slaafse christendom maar wachtte op denkers die de verbinding tussen die nieuwe menswetenschap en de spiritualiteit konden leggen. Han Fortmann met onder meer zijn Oosterse renaissance uit 1970 was één van die bruggenbouwers. Daardoor konden we op zoek gaan naar antwoorden op de kritieken en uitdagingen, en de Schrift eindelijk geleidelijk aan met de cultuur en het leven verbinden

in het perspectief van een ‘Bijbels geloof’.

Een paar aanzetten om stilaan af te ronden en u verder naar het boek te verwijzen, waar ook de vele inspiratiebronnen te vinden zijn.

(1) De Bijbel benaderen blijft niet steken in de keuze tussen een naïef-fundamentalistisch aannemen of een kritisch-wetenschappelijk afstand nemen. Voorbij die tegenstelling tussen sprookje en geschiedenis is een ‘tweede naïviteit’ mogelijk, die de Bijbel als zingevings- en levensboek leest en interpreteert.

(2) Juist die beweging leidt dan tot de vreemde vaststelling dat doorheen dit boek een uitdagende religiekritische lijn loopt. Hoe vaak en intens heeft Patrick niet afgerekend met de taaie resten erfenis van de genoegdoenings- en offertheologie die we in onze beleving van de verlossingsleer blijven meeslepen, en die het in geloof beluisteren van de ‘stem’ bemoeilijken? Na de eerste roeping van Abraham in Gen 12, ‘verlaat je land …’, was er toch die tweede in Gen 22, om zijn gewelddadige binnenkant, zijn primitieve offerbereidheid    achter zich te laten. Geen offers maar barmhartigheid en rechtvaardigheid. Wat een bevrijding was het dan niet om te leren inzien dat de beklemmende triade ‘wet / overtreding / straf’ een onterechte verminking inhoudt van het zoveel bredere en mildere Bijbelse schema omtrent onze menselijke conditie, omdat het eerste moment, de ‘gave’, en het vijfde, de ‘vergiffenis’,    weggelaten worden. Vijf stappen dus: gave / wet / overtreding / straf / verzoening.

(3) En ook nog even terug naar de drie samenlevingsmodellen in verband met het vormen van een gemeenschap-op-weg:

de woestijn staat voor de lastige en riskante leerschool – iets waar Patrick bijzonder gevoelig voor was – ,

de ballingschap biedt het uiteindelijke perspectief omdat het Godsrijk wel in de wereld staat,    maar niet van deze wereld is.

En het koningschap dan? Ja, een koning op een ezel – de titel van het boek van Nico ter Linden – en een spotkoning zoals in het lijdensverhaal bij Johannes.

Dit lijdende koningschap vormt het hart van het drama en herijkt ons bestaan.

Hierop even verder ingaand, een laatste herinnering. De eerste mij nog niet bekende auteur    die Patrick mij ooit heeft aangeraden, was Erich Auerbach. Deze Duits-joodse balling maakte

als kritiek op de esthetiek van het fascisme en nazisme duidelijk hoe de Bijbelse stijl het klassieke hiërarchische stijl- en samenlevingsmodel onderuithaalt, en ook de beleving en het falen van een kleine man centraal kan stellen en kan uitdiepen, zoals de verloochening door Petrus bijvoorbeeld. In 2017 had Patrick de werken van Auerbach nog eens herlezen. Vanuit die subversieve visie op mens en samenleving stelde hij toen de vraag waar de risus paschalis was gebleven, de paaslach in de liturgie om de nederlaag van de machten, de satan en de dood.

Patrick – hij blijft zo boeiend als heerlijke waaghals en geweldloze anarchist.

Sint Franciscus werd ooit als ‘le jongleur de Dieu’ gekarakteriseerd.

Zouden we Patrick dan niet als ‘le joueur de Dieu’ mogen memoreren … ? 

Paul Thoen, Brugge, 12 september 2020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.