Over het huwelijk

In de komende maand mag ik driemaal voorganger zijn in een huwelijk. Wie zei dat jonge mensen daar niet langer voor kiezen? In het nieuwste boek Zeugma van Marc-Alain Ouaknin[1] lees ik een toepasselijke passage, die ik in vertaling aan uw aandacht voorleg. Eerst even neuzen in de typisch joodse lectuur van de bijbel en zijn commentaar de Talmud.

Twee passages worden met elkaar in verband gebracht. Een citaat van Deuteronomium over het huwelijk: ‘Wanneer een man een vrouw zal nemen …’ De Talmud stelt de vraag welke de modaliteiten zijn die dit nemen regelen op wettelijk vlak. Drie mogelijkheden: door een geldtransactie, door een contract zonder financiële tegenprestatie, door een seksuele relatie.

Hoe weten dat een financiële transactie een huwelijk kan regelen? Er wordt verwezen naar Genesis 23, waar in de Efronvallei Abraham voor 400 sikkels een grot koopt om zijn vrouw Sara te begraven. ‘Neem de som aan opdat ik mijn vrouw hier kan begraven, in een stukje beloofd land.’ Dit in verband brengen van eenzelfde term in een verschillende context noemt men de ‘guezera chava’.

In deze tekst stelt de Talmud voor het onderscheid tussen ‘behoefte’ en ‘verlangen’ te beklemtonen en zo een omschrijving van de liefde voor te stellen. Om die gedachten klaar te zetten, ontlenen we enkele technische termen aan Emmanuel Levinas. Vooreerst in het koppel transcendentie/immanentie. De transcendentie is de beweging die vanuit het subject vertrekt of het Ik, of dezelfde naar de Andere. De immanentie is de tegengestelde beweging die naar het Ik toegaat. Transcendentie zou middelpuntvlietend en immanentie middelpuntzoekend zijn.

De gave vloeit voort uit de transcendentie. Het nemen is immanent. Evenwel kunnen deze daden en termen misleidend zijn. Inderdaad er zijn gevallen waar er gave is en we toch in het domein van de immanentie blijven. Bijvoorbeeld wanneer men geeft om terug te krijgen: de beweging van transcendentie wordt omgebogen om immanentie te worden voor mij en onteigent de transcendentie voor de Ander. Wat men van de ander verwacht is niet noodzakelijk zichtbaar: het kan een eenvoudige erkenning zijn of een dankjewel.

Hoe vertaalt zich in het dagelijks leven deze wijsgerige tegenstelling?

Nemen we volgend voorbeeld: iemand is eenzaam en verdraagt niet langer alleen te leven. Hij gaat op zoek naar gemeenschap met een ander. Indien, om een ander te benaderen, hij op een zeker ogenblik zegt: ‘Ik hou van je’, kan men dan van liefde spreken of is het juister te gewagen van haat van de eenzaamheid en van het aanwenden van liefde voor pure immanente doelen? Bemint men dan de ander voor hem/haar of voor zichzelf?

Dit is de vraag die de Talmud stelt op zoek naar de modaliteiten van het huwelijk. Als de band met de vrouw verwijst naar de handeling van Abraham, welke betekenis heeft die? Wanneer Abraham die som uitbetaalt om het graf van Sara te kopen, dan doet hij het voor haar zonder hoop op een tegengave omdat ze overleden is. Gebaar van pure gave, transcendent voor de Ander. Zo ook, als een man geld geeft of een geldwaarde (uitwisseling van de ringen), in de ritus van het huwelijk naar het voorbeeld van Abraham, drukt hij een liefde uit die niet uit behoefte voortvloeit, noch psychologisch, noch sentimenteel, noch seksueel of andere. Gebaar zonder verwachting van amen of dankjewel.

De band met de ander in termen van pure transcendentie noemt men verlangennaar de ander of metafysisch verlangen. Dit in tegenstelling met de immanente behoefte van Ik en de egoïstische bevrediging van Ik. Maar we moeten niet naïef zijn. Moeten we niet –  zoals Levinas – suggereren dat de liefde een compromis is tussen beide?[2]

We starten met De Lier. De eerste twee vieringen zijn traditioneel gewijd aan afspraken rond God. Ik mag morgen de toespraak houden. In het verlengde van de ‘positionering’ wil ik toetsen met het verhaal van het brandend braambos hoe ver of hoe nabij elkeen God ervaart. We beluisteren het verhaal van het braambos en veruiterlijken het dan. Twee sandalen zullen in het midden staan en een kaars: Mozes en de Onzegbare. In een stil moment wordt iedereen gevraagd in stilte de afstand te bepalen van die sandalen (zichzelf) en de kaars (God). Wie wil kan na de stilte de sandalen op de juiste plaats zetten en commentaar geven, indien nodig.

Nadien zou ik willen duidelijk maken dat die afstand of nabijheid eigenlijk om ons geweten gaat, dat we wel of niet beluisteren. En tenslotte zou ik in plaats van de sandalen te verplaatsen, de kaars in de nabijheid willen brengen van elke mens die onrustig samen op zoek wil gaan naar bevrijding en verantwoordelijkheid voor de wereld, dichtbij of veraf.

 (1 september 2013)


[1] Marc-Alain Ouaknin, Zeugma. Seuil, 2008.

[2] o.c., p. 151.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.