De zaligsprekingen van Lucas (Marc Lemiengre)

Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas.Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God. Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.

Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld. (Lucas 6, 17-26)

Lucas was een bekeerling uit een Griekse of Helleense gemeenschap, zijn moedertaal was Grieks en de gemeenten waartoe hij zich richtte waren nieuwe bekeerlingen die zeker niet vertrouwd waren met de joodse traditie. Men denkt dat hij een leerling was van Paulus en deze soms vergezelde op zijn reizen.

De eerste twee hoofdstukken van het Lucasevangelie vind je elders niet terug: het verhaal van Elisabeth en Zacharias, het Magnificat (Heersers stoot hij van hun troon, wie gering is geeft hij aanzien, wie honger heeft overlaadt hij met gaven maar de rijken stuurt hij weg met lege handen …). De geboorte wordt eerst bekend gemaakt aan de herders, de opdracht in de tempel en de lijdensvoorspelling door Simeon en de twaalfjarige Jezus die zegt ‘dat hij in het huis van zijn Vader moest zijn’. Lucas zet meteen de toon voor wat zal volgen.

Bij zijn eerste publieke optreden in de synagoge van Nazareth leest hij uit de boekrol van de profeet Jesaja. Je weet meteen hoe zijn programma eruitziet. Het gaat over de bevrijding van mensen uit de maatschappelijke rafelrand.

‘De Geest van de Heer rust op mij want hij heeft mij gezalfd. Om de armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven en een genadejaar van de Heer uit te roepen.’

Hoofdstuk 6 begint met een twistgesprek met de farizeeën. De leerlingen hadden tegen de wet in aren geplukt op sabbat om hun honger te stillen en Jezus genas iemand op sabbat in een synagoge voor de ogen van de farizeeën en schriftgeleerden die meteen plannen maakten om hem omwille van godslastering uit de weg te ruimen. Daarna gaat hij bidden op de berg en duidt hij zijn apostelen aan. Mattheüs laat hem spreken op een berg met het gezag van Mozes de wetgever. Lucas laat hem afdalen naar de vlakte, niemand moet een inspanning doen om het goede nieuws te vernemen.

Een mensenmassa. Mensen uit Judea en Jerusalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon, van het zuiden tot het noorden, mensen die streng in de leer zijn en half- of ongelovigen, allen zijn ze verzameld op die vlakte. Het is alsof de ganse wereld aanwezig is, ze kwamen luisteren en wilden genezen worden, ook van onreine geesten werden ze verlost alleen maar door hem aan te raken. Er ging een kracht van hem uit die allen genas. Hier is geen historicus of een journalist aan het woord, hij was er zeker niet bij, had alles van horen zeggen, maar wat volgt is zo wezenlijk dat Lucas nog maar eens getuigt van de bezieling en inspiratie die uitging van Jezus en enige overdrijving is hier dus op zijn plaats. Wat volgt is een rede die begint met vier paradoxale gelukwensen, of vier paradoxale zaligsprekingen, daarna volgen vier al even paradoxale wee – spreuken. Het gaat om schijnbare tegenstellingen. Wie kan arm én gelukkig zijn, honger hebben én gelukkig zijn, triestig zijn én gelukkig zijn, beschimpt of miskend worden én gelukkig zijn? Zijn dit wel paradoxale tegenstellingen of schijnbare tegenstellingen? Marc De Kesel provoceerde zijn publiek door te zeggen dat de Kerk dringend het gesprek met de wereld moet aangaan over wat een vrije samenleving zou kunnen zijn. Armoede, honger, verdriet, en uitsluiting verhinderen mensen precies om die vrijheid te hebben om vrij en gelukkig te zijn. Wie leeft in overlevingsmodus, heeft niet de vrijheid om een vrij en gelukkig mens te zijn, laat dit duidelijk zijn. Het geluk, de verzadiging of de troost is iets voor de toekomst, omschreven door vage begrippen als ‘het koninkrijk van God’ of ‘de hemel’. In de boeken van het Eerste Testament gebruiken auteurs het woord malkoet wanneer ze het hebben over het rijk Gods. Deze woordkeuze laat duidelijk zien dat het rijk Gods nooit gelijkgesteld werd of vergeleken werd met een aards koninkrijk, dat telkens aangeduid werd met het woord mamlacha. Jezus sluit met zijn zaligsprekingen of gelukwensen aan bij de apocalyptische traditie van het Eerste Testament. Op het einde der tijden zal God ingrijpen op aarde en een einde stellen aan alle onrecht, in dit rijk Gods is enkel plaats voor wie volgens Gods wil geleefd heeft. Het rijk Gods en leven volgens Gods wil zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden zoals we bidden in het Onzevader: ‘Uw koninkrijk kome en uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel’. De uitdaging van Jezus is een samenleving zo in te richten dat er vrede is, dat recht voor iedereen toegankelijk is, dat iedereen gelijke kansen krijgt, dat rijkdom eerlijk verdeeld is, dat mensen zorgzaam en zorgvuldig met elkaar omgaan en dat zo’n samenleving  zich kan bevrijden van alle onzichtbare en demonische machten die de vrijheid van mensen in de weg staan.

Laten we dit even concreet maken. We kennen allemaal de discussie over de explosie van de energieprijzen. Wanneer je de vraag stelt hoe het komt dat die prijzen nu plots verviervoudigen, krijg je steevast als antwoord: ‘de markt’. Over die markt worden er nooit vragen gesteld. De ‘vrije markt’ is echter een demon, een afgod die – zonder in vraag gesteld te worden – armen armer maakt en rijken rijker. Wat men nu doet door de rekeningen met een kleine premie te milderen (een aalmoes voor de armen en wat zakgeld voor de rijken) is sleutelen aan het symptoom maar geneest de ziekte niet. Die ‘vrije markt’ is eigenlijk een bron van armoede en onvrijheid voor heel veel mensen en een bron van rijkdom voor enkelen. Hij heeft dus geen plaats in het rijk Gods.

De brief van Jacobus wordt weinig gelezen maar ook hij heeft het over de maatschappelijke verhoudingen:

‘En nu iets voor u, rijken: uw rijkdom is verrot en uw kledij is door de mot aangevreten. Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen.’

Rijkdom verzamelen door onrecht en knechting is niet de wil van God en dus demonisch.

De vier ‘wee’-uitspaken zijn de omkering van de zaligsprekingen. Wee jullie die rijk zijn, wee jullie die verzadigd zijn, wee jullie die lachen, wee jullie die genieten van het lof van de mensen. Wie het goed heeft tijdens zijn leven zal het – eenmaal gestorven – voor eeuwig en altijd mogen uitzweten. Wat moeten we hiermee? Eerst zijn armoede, honger, tristesse en uitsluiting een bron van uitgesteld geluk, en nu zijn rijkdom, verzadiging, vreugde en erkenning een bron van uitgesteld ongeluk?

Wat met de diepe wrok van de mensen in de rafelrand van een mondiale samenleving, die het gevoel hebben dat hun leven er niet toe doet? De oncontroleerbare woede van de ‘gele hesjes’ is hiervan een goed voorbeeld. Net zoals er banken zijn die je kapitaal beheren en beleggen, zijn er in de geschiedenis banken geweest die deze opgekropte wrok beheerden. Eeuwenlang heeft de Kerk voorgehouden dat God een dergelijke bank beheerde. De wrok, de woede van de mensen die slachtoffer waren van onrecht, uitbuiting of uitsluiting werd belegd in de bank van het hiernamaals. Na de dood moest God ervoor zorgen dat het onevenwicht hersteld werd. De armen werden verheven en de rijken verdoemd. Gods woede na de dood of op het einde der tijden zou alle ervaren onrechtvaardigheid herstellen. De door God beheerde woedebank moest de rechtstreekse wraakneming in de wereld vermijden en op die manier de bestaande (wan)orde ondersteunen door de uiteindelijke wraak te garanderen na de dood. Of hoe je de bestaande maatschappelijke tegenstellingen ten gunste van de machtigen vanuit een theologie kunt neutraliseren. Populistische politieke partijen doen net hetzelfde in de wedloop naar macht.

Wanneer we dit provocerend stuk Blijde Boodschap beluisteren, kunnen we dit wellicht het best doen vanuit het Onzevader: ‘Uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’ Het blijft een uitdaging hoe we menselijk samenleven vorm kunnen geven volgens de wil van God. Nochtans moeten we ons daarop richten, want enkel dan kunnen hemel en aarde samenvallen.

(Februari 2022)

Bibliografie

Petzel P., Reck N., Van Abba tot zondebok. Halewijn, 2019

Carpentier E., Wegwijs in het Nieuwe Testament. Ten Have, 1987

Nouis A., Le Nouveau Testament. Commentaire intégral verset par verset. Olivétan/Salvator, 2018

Sloterdijk P., Woede en tijd. SUN 2007

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.